Even zomaar een paar cijfers: 1984 Sporters uit 202 landen namen deel aan het WK. De totale prijzenpot bedroeg liefst 7.336.000 dollar. Exclusief bonussen voor een wereldrecord uiteraard. Daar waren twee aparte sponsors voor gevonden die 100.000 per record uitkeerden. In totaal wonnen 34 landen minimaal één medaille. De Nederlandse WK-afvaardiging speelde geen rol van betekenis en scoorde slechts twee finaleplaatsen.
Wellicht ten overvloede: het gaat hier niet over schaatsen, maar over atletiek.
Twee weken zat ik in het Olympisch Stadion van Berlijn om verslag te doen van het WK atletiek. Ik zag atleten in actie uit alle windstreken. Uit Rusland en de Verenigde Staten, uit Kenia en Ethiopië en natuurlijk uit Jamaica. Kortom, de traditionele grootmachten in de atletiek. Maar tegelijkertijd waren er sporters uit landen als Amerikaans Samoa, Afghanistan, Panama en Bahrein, oftewel de zogenoemde exoten.
Een vergelijking met het schaatsen ligt niet voor de hand. Toch dwaalden mijn gedachten op de tribune op een gegeven moment af. Terwijl ik pseudo-geconcentreerd de vergeefse pogingen van een allesbehalve getalenteerde hoogspringer uit Syrië trachtte te volgen om de aanvangshoogte van 2,10 meter te bedwingen, dacht ik aan ijs in Thialf, aan moeilijke wissels, aan schreeuwende coaches met twee vingers omlaag en, ik geef het niet graag toe, zelfs aan Kleintje Pils. Maar ik dacht vooral aan de exoten in de schaatssport. De verdwenen exoten, wel te verstaan.
We hadden ooit Antonio Gomez, de aandoenlijke krabbelaar uit Spanje die de grootst mogelijke moeite had met het klassieke pootje-over en in de jaren zeventig steevast voor een komische noot op de grote toernooien zorgde. In het schaatsen wordt hij nog steeds node gemist. Tegenwoordig is er een Argentijn, die in Nederland meer publiciteit krijgt vanwege het feit dat prinses Máxima een achternicht van hem schijnt te zijn dan vanwege zijn kwaliteiten op het ijs, maar dat is het dan wel.
In het kader van een televisieprogramma leidde Bart Veldkamp een aantal jaren geleden een aantal atleten uit Kenia op tot ware langebaanschaatsers. Ze hadden een droom en wilden naar de Olympische Winterspelen in Vancouver. Een beetje een merkwaardige droom voor een Keniaan, maar goed, het leverde wel vermakelijke televisie op. Inmiddels zijn met het programma ook de klûners uit Kenia uit ons gezichtsveld verdwenen en staat vast dat het olympisch schaatstoernooi het ook komende winter zonder Afrikaanse inbreng zal moeten stellen.
In de atletiek worden de vijf en tien kilometer steevast gedomineerd door Afrikanen, de laatste jaren vooral door Kenenisa Bekele uit Ethiopië. In het schaatsen hebben we Sven Kramer, die op beide afstanden ogenschijnlijk onverslaanbaar is. Heeft Bekele geluk dat Kramer zich nooit volledig op de Moeder der Sporten heeft toegelegd of is het andersom en moet Kramer zich gelukkig prijzen dat men in Ethiopië niet eens weet wat ijs is?
Na zijn gouden medailles op de 100, 200 en 4×100 meter werd de Jamaicaanse sprinter Usain Bolt in Berlijn de vraag voorgelegd of hij in de toekomst uitstapjes naar andere disciplines als de 400 meter of het verspringen zou overwegen. Hij stond er niet onwelwillend tegenover. Immers, een nieuwe uitdaging van tijd tot tijd kan nooit kwaad, erkende hij. Ik kijk ernaar uit, maar persoonlijk zou ik Bolt liever eens met een paar echte Vikings onder zijn voeten aan het werk willen zien op de ijsbaan. Eerst snel even dat vermaledijde pootje-over onder de knie krijgen en dan gewoon de competitie aangaan uiteraard, met de allerbesten uit een andere wereld. Jeremy Wotherspoon tegen Usain Bolt op de 500 meter. Oftewel, ‘The Spoon’ tegen ‘Lightning Bolt’, een mooiere affiche bestaat niet!
© 2009 Linkit / Frank Woestenburg, verslaggever Telegraaf